Het consortium bracht in kaart aan welk type vakmanschap van middelbaar opgeleiden behoefte is op de arbeidsmarkt, en wat dit betekent voor de inrichting van het mbo. De arbeidsmarktperspectieven van breed opgeleide mbo-vakmensen volgen op de tweede plaats, vooral doordat ze minder goede baankansen hebben aan het begin van hun loopbaan.
Voor praktisch opgeleide vakmensen (met een smalle mbo-opleiding, met name op niveau 1 en 2) verloopt de overgang van school naar de arbeidsmarkt soepel. Maar daar staat tegenover dat zij vaak lang werken in beroepen met een laag salaris en een lage beroepsstatus. De opwaartse mobiliteit blijft achter voor deze groep. Dit maakt de positie van de praktisch opgeleide vakman kwetsbaar. Ook op de middellange termijn is vooral behoefte aan specialistische en brede vakmensen.
Een zorgelijk punt is dat de link tussen opleiding en beroep in het mbo in de laatste decennia zwakker is geworden. In tegenstelling tot hbo- en wo-afgestudeerden komen mbo’ers in een steeds bredere waaier beroepen terecht. Dat is een nadeel: een zwakke aansluiting is ongunstig voor de inkomenspositie van schoolverlaters. Hoe zwakker de link tussen opleiding en baan, hoe lager het salaris.
Toch kunnen we niet stellen dat omdat we positieve arbeidsmarktuitkomsten vinden voor specialistische mbo-opleidingen, alleen smalle beroepsspecifieke vaardigheden ertoe doen. Generieke vaardigheden -zoals taal, rekenen, probleemoplossend vermogen- worden later in de loopbaan belangrijker, zowel voor de hoogte van het salaris als voor de kans op werk. Juist in beroepen waar veel aanspraak wordt gedaan op hoge niveaus van deze vaardigheden, zien we een sterke groei in werkgelegenheid.
Kortom: voor goed vakmanschap zijn zowel specifieke als generieke vaardigheden essentieel en de kunst is vooral om die twee aspecten goed in het curriculum te integreren.
Door: Redactie Nationale Onderwijsgids